Roelstraete, Herman

All

Roelstraete, Herman

Pianokwartet ‘Via vitae’, op. 99 (score and parts, first edition)

35,00 

Herman Roelstraete
(Lauwe, 20 oktober 1925 – Kortrijk, 1 april 1985)

Pianokwartet ‘Via vitae’, op. 99 (1972-1973)

Herman Roelstraete deed zijn eerste muziekstudies aan de Normaalschool van Torhout waar hij de kosteropleiding volgde. Het is daar dat zijn levenslange belangstelling voor het gregoriaans, het orgel en de Vlaamse Beweging werd aangewakkerd. In 1942 trok hij naar het Interdiocesaan hoger instituut voor kerkelijke muziek (het ‘Lemmensinstituut’) in Mechelen, waar hij eminente leraars had als Henri Durieux (harmonie), Marinus de Jong (piano en contrapunt), Flor Peeters (orgel) en Jules Van Nuffel (koordirectie en muziekesthetica). Via Van Nuffel, die de publicatie van het werk van Philippe de Monte leidde, leerde hij in die periode de Vlaamse polyfonisten kennen. Nadat hij in Mechelen met grote onderscheiding en als ‘Laureaat van het Lemmensinstituut’ was afgestudeerd, ging hij zich aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel vervolmaken. Hij haalde er eerste prijzen zang (bij Maurice Weynandt), contrapunt (bij Marcel Poot) en orgel (bij Paul de Maleingrau). Tenslotte ging hij in 1957 dodecafonie studeren bij Mátyás Seiber.

Ondertussen drukte hij in zijn geboortestreek steeds meer een stempel op het culturele leven: hij richtte koren, ensembles en orkesten op; onderhield intense contacten met vele amateurkoren die hij begeleidde; deed onderzoek naar volksliederen en werd in 1950 directeur van de Muziekacademie van Izegem. Daarnaast had hij een korte carrière als zangsolist (hoge tenor), maar een tijdelijke verlamming van de stembanden maakte daar in 1953 een abrupt einde aan. Als concertorganist zou hij zijn carrière lang blijven concerteren.

Zoals andere collega’s van zijn generatie (Frits Celis, Roland Coryn, Vic Nees) heeft hij zich zijn carrière lang sterk geëngageerd voor het vergeten of verwaarloosd werk van zijn voorgangers, zoals Frans J. Krafft (1727-1795), Pieter Vanderghinste (1789-1860), Philippe vanden Berghe (1822-1885), Edward Mechelaere (1827-1906), Peter Benoit (1834-1901), Edgar Tinel (1854-1912) en Alfons Mervillie (1856-1942). Van verschillende werken van deze componisten maakte Roelstraete bewerkingen zodat ze opnieuw voor de hedendaagse uitvoeringspraktijk beschikbaar waren. Sommige van die bewerkingen werden gepubliceerd door Musica Flandrorum, een stichting die hij in 1978 in het leven heeft geroepen om het werk van vergeten Vlaamse componisten te doen herleven. Ook als dirigent promootte hij die muziek. In 1967 kreeg hij van de stad Antwerpen en het Peter Benoitfonds de Prijs Peter Benoit voor zijn uitvoering van Benoits Drama Christi en in 1983 kende de Belgische muziekpers hem de Snepvangersprijs toe voor zijn opname van Benoits Requiem. Als organoloog bestudeerde hij de orgelbouwerfamilie Anneessens en inventariseerde hij tal van Vlaamse orgels.

Roelstraete liet een gevarieerd oeuvre na van ongeveer 160 opusnummers waarin zowat alle genres vertegenwoordigd zijn, opera uitgezonderd. Zijn bijzondere aandacht ging uit naar de koormuziek – van a-capellawerken tot oratoria –, maar al te vaak wordt daardoor de rest van zijn oeuvre vergeten. Misschien schreef hij wel zijn beste bladzijden in zijn kamermuziek en dan vooral in de drie strijkkwartetten die hij pas na zijn vijftigste, toen hij steeds grotere gezondheidsproblemen kreeg, componeerde.

Doorheen zijn oeuvre zocht Roelstraete naar een evenwicht tussen traditie (gregoriaans, barokvormen, neoclassicisme) en vernieuwing (polytonaliteit, polymodaliteit, serialiteit, dodecafonie). Hij was een sterk contrapuntist, maar hechtte daarbij groot belang aan een expressieve melodievoering. Zijn werk pendelt tussen expressionistische, vitalistische bladzijden en, zeker naar het einde van zijn leven toe, meditatieve en elegische composities. Een belangrijk deel van zijn werk is religieus geïnspireerd.

Het pianokwartet Via vitae componeerde hij tussen 23 december 1972 en 7 januari 1973. Roelstraete noemde het werk zelf een ‘dialoog over het leven’. Vertrekkend van de klassieke delen van het kwartet evoceert hij hier de ‘gang van het leven’ in vier etappes, die evolueren van vitalistisch over beschouwend en frenetiek, tot mediterend:
– Allegro: ‘Vreugden. Blij zijn om het bestaan. Mensen graag zien en blij zijn.’
– Adagio: ‘Ruimten. Dromen, hopen en mensen graag zien.’
– Allegro molto: ‘Frenetiek. Aan die hoop en droom hardnekkig vasthouden.’
– Quasi lento: ‘Gepeinzen. Denken naar het einde toe: hoe ver, wijd, hoe hoog nog?’
Componist Luc Goosen (1937-2003), een leerling en vriend van Roelstraete, schreef hierover: ‘Het zou een al te simplistische dwaling zijn deze aanduidingen te nemen als uitgangspunt voor een soort “programma”. Deze muziek is duidelijk een directe omzetting van emotie in klankstructuur en is dus “absoluut”. Deze aanwijzingen zijn een vingerwijzing naar wat de componist moet gevoeld hebben, op rijpe leeftijd over de schouder omkijkend naar de afgelegde weg, wetende dat de nog te gane weg veel korter zal zijn.’

Dit pianokwartet werd in 1995 op cd opgenomen door Paul Klinck (viool), Freddy Van Goethem (altviool), Herwig Coryn (cello) en Gunther Broucke (piano) (‘Herman Roelstraete: kamermuziek’, PKP 004, 1995).
Duurtijd: ca. 14’30”.
Deze nieuwe editie werd op basis van de facsimile van het autografisch manuscript gerealiseerd door componist Roland Coryn, die goed bevriend was met Herman Roelstraete.

Jan Dewilde

Deze partituur werd gepubliceerd in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek (www.svm.be).


 

Herman Roelstraete
(Lauwe, 20 oktober 1925 – Kortrijk, 1 april 1985)

Klavierquartett ‘Via Vitae’, op. 99 (1972-1973)

Herman Roelstraete begann sein Musikstudium an der Lehrerbildungsanstalt von Torhout, wo er den Lehrgang für Küster belegte. Dort bekam sein lebenslanges Interesse für den gregorianischen Gesang, die Orgel und die flämische Kulturbewegung starke Impulse. Im Jahre 1942 immatrikulierte er sich am Institut für Kirchenmusik in Mecheln (Lemmensinstitut). Zu seinen herausragenden Lehrern zählten Henri Durieux (Harmonielehre), Marinus de Jong (Klavier und Kontrapunkt), Flor Peeters (Orgel) und Jules Van Nuffel (Chorleitung und Musikästhetik). Durch Van Nuffel, der die Edition der Werke von Philippus de Monte leitete, lernte er damals auch die flämischen Polyfonisten kennen. Nachdem er sein Studium in Mecheln als ‚Laureat des Lemmensinstituts’ mit magna cum laude absolviert hatte, bildete er sich am Königlichen Konservatorium von Brüssel weiter. Er schloss seine Ausbildung ab mit den Diplomen für Gesang (bei Maurice Weynandt), Kontrapunkt (bei Marcel Poot) und Orgel (bei Paul de Maleingrau). Ferner vertiefte er sich 1957 bei Mátyás Seiber in das Studium der Zwölftonmusik.

Unterdessen wuchs sein Einfluss auf das kulturelle Leben seiner westflämischen Heimat. Er gründete Chöre, Ensembles und Orchester, unterhielt enge Kontakte zu vielen Liebhaberchören, die er auch begleitete, widmete sich der Volksliedforschung und wurde 1950 Direktor der Musikschule von Izegem. Daneben hatte er auch eine kurze Karriere als Sänger (hoher Tenor), aber wegen einer zeitweiligen Lähmung der Stimmbänder brach er diese 1953 kurzentschlossen ab. Als Konzertorganist dagegen blieb er stets aktiv.

Ebenso wie andere Kollegen seiner Generation (Frits Celis, Roland Coryn, Vic Nees) setzte er sich sein Leben lang für vergessene oder unterschätzte Werke seiner Vorgänger ein, unter anderen Frans J. Krafft (1727-1795), Pieter Vanderghinste (1789-1860), Philippe vanden Berghe (1822-1885), Edward Mechelaere (1827-1906), Peter Benoit (1834-1901), Edgar Tinel (1854-1912) und Alfons Mervillie (1856-1942). Roelstraete bearbeitete eine Anzahl von Werken dieser Komponisten, um sie für die zeitgenössische Praxis zu erschließen. Manche wurden bei Musica Flandrorum herausgegeben, einer Stiftung, die er 1978 selbst ins Leben gerufen hatte, um das Schaffen vergessener flämischer Komponisten wieder zugänglich zu machen. Auch als Dirigent setzte er sich für diese Musik ein. Im Jahre 1967 bekam er von der Stadt Antwerpen und dem Peter Benoitfonds den Peter Benoitpreis für seine Aufführung von Benoits Drama Christi, und 1983 erkannte die belgische Musikpresse ihm den Snepvangers-Preis zu für seine Aufnahme des Requiem von Benoit. Als Orgelfachmann erforschte er die Geschichte der Orgelbauerfamilie Anneessens und inventarisierte er zahlreiche flämische Orgeln.

Roelstraete hinterließ ein vielgestaltiges Gesamtwerk mit ungefähr 160 Opusnummern, in denen fast alle Gattungen außer der Oper vertreten sind. Sein besonderes Interesse galt der Chormusik – von A-cappella-Werken bis zu Oratorien – wodurch jedoch sein übriges Œuvre allzu oft vergessen wurde. Seine besten Schöpfungen finden sich wohl in seiner Kammermusik, nicht zuletzt in seinen drei Streichquartetten, die er als Fünfziger schrieb, als er schon mit zunehmenden Gesundheitsproblemen zu kämpfen hatte.

In seinem gesamten Werk sucht Roelstraete nach einem Gleichgewicht zwischen Überlieferung (Gregorianisch, Barockformen, Neoklassizismus) und Erneuerung (Polytonalität, Serielle Musik, Dodekafonie). Er war stark in Kontrapunkt, aber fand gleichzeitig eine ausdrucksvolle Melodieführung sehr wichtig. Sein Werk bewegt sich hin und her zwischen expressionistischen, vitalistischen Schöpfungen und, besonders gegen Ende seines Lebens, meditativen und elegischen Kompositionen. Ein Großteil seines Œuvres hat einen religiösen Hintergrund.

Das Klavierquartett Via Vitae komponierte er zwischen dem 23. Dezember 1972 und dem 7. Januar 1973. Roelstraete selbst nannte das Werk einen ‚Dialog über das Leben’. Fußend auf den klassischen vier Sätzen des Quartetts, beleuchtet er hier den ‚Gang des Lebens’ in vier Etappen, in einer Entwicklung, die von vitalistisch über beschauend und frenetisch bis zum Meditativen hin reicht:
– Allegro: ‚Freuden. Froh sein zu leben. Menschen gerne mögen und fröhlich sein.’
– Adagio: ‚Räume. Träumen, hoffen und Menschen lieben.’
– Allegro molto: ‚Frenetisch. Die Hoffnung und den Traum hartnäckig bewahren.’
– Quasi lento: ‚Sinnieren. Zum Ende hin denken: Wie weit, wie groß, wie lange noch?’

Der Komponist Luc Goosen (1937-2003), ein Schüler und Freund Roelstraetes, schrieb: „Es wäre eine allzu simple Vereinfachung, diese Hinweise als Ausgangspunkt für eine Art ‚Programm‘ zu wählen. Diese Musik ist deutlich eine direkte Umsetzung von Gefühl in Klangstruktur und ist also ‚absolut‘. Die Angaben sind ein Hinweis drauf, was der Komponist bei einem Zurückblick auf den zurückgelegten Weg in reifem Alter empfunden haben muss, in dem vollen Bewusstsein dass der noch zu gehende Weg viel kürzer sein würde.’

Das Klavierquartett wurde 1995 von Paul Klinck (Violine), Freddy Van Goethem (Viola), Herwig Coryn (Cello) und Gunther Broucke (Klavier) auf cd aufgenommen. (‚Herman Roelstraete: Kammermusik“, PKP 004 1995).
Spieldauer: ca. 14’30“.
Diese neue Ausgabe fußt auf dem Autograf. Sie wurde von dem Komponisten Roland Coryn besorgt, der mit Herman Roelstraete gut befreundet war.

Jan Dewilde
(Übersetzung Michael Scheck)

Diese Partitur wurde herausgegeben in Zusammenarbeit mit dem Studienzentrum für Flämische Musik (Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, www.svm.be).


 

Herman Roelstraete
(Lauwe, 20 October 1925 – Kortrijk, 1 April 1985)

Piano quartet ‘Via vitae’, op. 99 (1972-1973)

Herman Roelstraete received his first music training at the Torhout Normal School where he studied to become a liturgical organist. These studies sparked his lifelong interest in Gregorian chant, the organ and the Flemish Movement. In 1942 he went to the School for Religious Music (the ‘Lemmens Institute’) in Mechelen, where he had eminent teachers such as Henri Durieux (harmony), Marinus de Jong (piano and counterpoint), Flor Peeters (organ) and Jules Van Nuffel (choir conducting and music aesthetics). Van Nuffel, who lead the publication of Philippe de Monte’s work, introduced him to Flemish polyphony. After graduating magna cum laude and as a ‘Laureate of the Lemmens Institute’, he continued his studies at the Royal Conservatory of Brussels. He received the awards for singing (under Maurice Weynandt), counterpoint (under Marcel Poot) and organ (under Paul de Maleingrau). Finally, in 1957, he went on to study dodecaphony under Mátyás Seiber.

In the meantime he strongly influenced the cultural life in the region of his hometown: he founded choirs, ensembles and orchestras; he maintained close contacts with the many amateur choirs he mentored, he performed research on folk songs and became the director of the Music Academy in Izegem.
In addition, he also had a short singing career as a soloist (high tenor), but in 1953 a temporary vocal cord paralysis ended this abruptly. However, as a concert organist he continued to perform throughout his entire career.

Throughout his career and like many others in his generation (Frits Celis, Roland Coryn, Vic Nees), he was involved in reviving the forgotten or neglected music of his predecessors, such as Frans J. Krafft (1727-1795), Pieter Vanderghinste (1789-1860), Philippe vanden Berghe (1822-1885), Edward Mechelaere (1827-1906), Peter Benoit (1834-1901), Edgar Tinel (1854-1912) and Alfons Mervillie (1856-1942). Roelstraete created new arrangements of various works by these composers, allowing them to be performed in a contemporary setting. Some of these arrangements were published by Musica Flandrorum, a foundation he established in 1978 to revive the work of forgotten Flemish composers. He also promoted these oeuvres through his carreer as a conductor. In 1967, the city of Antwerp and the Peter Benoit Fund awarded him the Peter Benoit Award for his performance of Benoit’s Drama Christi and in 1983, the Belgian music press gave him the ‘Snepvangersprijs’ for his recording of Benoit’s Requiem. As an organologist, he studied the organ building Anneessens family and he made an inventory of countless Flemish organs.

Roelstraete created a varied oeuvre of about 160 opus numbers and representing nearly all genres, except for opera. He particularly focused on choir music (both a cappella pieces and oratoria), but the rest of his oeuvre often remains overlooked. He might have written his best pages in his chamber music, especially in the three string quartets, which he composed when he was already in his fifties and battling growing health problems.

Throughout his oeuvre, Roelstraete always strove towards a balance between tradition (Gregorian, baroque, neoclassicism) and new ideas (polytonality, polymodality, seriality, dodecaphony). He was a strong counterpointist, but attached great importance to expressive melody. His work hovers between expressionist, vitalistic pages and – especially towards the end of his life – meditative and elegiac compositions. A significant part of his oeuvre is religiously inspired.

His piano quartet Via vitae was composed between 23 December 1972 and 7 January 1973. Roelstraete himself called the quartet a ‘dialogue about life’. Starting from the traditional structure of the quartet he evokes ‘the process of life’ in four stages, evolving from vitalistic to contemplative and from frenetic to meditative:
Allegro: ‘Joy. Being joyful about existence. Loving people and being happy.
Adagio: ‘Spaces. Dreaming, hoping and loving people.’
Allegro molto: ‘Frenetic. Clinging persistently to that hope and dream.’
Quasi lento: ‘Pondering. Thinking towards the end: how far, wide, how much higher still?’
Composer Luc Goosen (1937-2003), Roelstraete’s student and friend remarks: ‘It would be too simplistic and erroneous to assume these indications are a basis for a kind of ‘programme’. This music is clearly a direct conversion of emotion into sound structure and it is therefore ‘absolute’. These instructions are a clue of what the composer must have felt at a later age, looking over his shoulder at the road he travelled, knowing the road before him is going to be much shorter.’

This piano quartet was recorded on CD in 1995 by Paul Klinck (violin), Freddy Van Goethem (viola), Herwig Coryn (cello) and Gunther Broucke (piano) (‘Herman Roelstraete: kamermuziek’, PKP 004, 1995).
Length: ca. 14’30”.
This new edition is based on the facsimile of the autographic manuscript and was made possible by the composer Roland Coryn, a close friend of Herman Roelstraete’s.

Jan Dewilde
(translation: Jasmien Dewilde)

This score is published in cooperation with the Centre for Flemish Music (www.svm.be).

Score No.

2521

Special Edition

The Flemish Music Collection

Pages

124

Genre

Chamber Music

Printing

New print / First print

Specifics

Set Score & Parts

Size

225 x 320 mm