Nieuwenhove, Ernest Van

Concerto for flute and radio orchestra (s.a.) (arrangement for flute with keyboard accompaniment / first print / score and part)

22,00 

Ernest Van Nieuwenhove
(Sint-Jans-Molenbeek, 31 March 1880 – Schaerbeek, 10 January 1968)

Concerto for flute and radio orchestra (s.a.)

(arrangement for flute with keyboard accompaniment)

Ernest Van Nieuwenhove got his first music lessons from his father and later studied music theory and piano with Joost De Mol and piano with José Sevenants, who was himself a student of Arthur De Greef. Allegedly, he later also took private lessons with Paul Gilson. According to what the musicographer and poet Lambrecht Lambrechts wrote in the periodical Muziek-warande (1 March 1924) he didn’t have the financial resources to continue studying music at a conservatory. Therefore, Van Nieuwenhove is mostly an autodidact. He was nonetheless highly skilled, both as a composer and a performer. While he was still in secondary school, he composed various occasional pieces, often to texts written by his cousin, the famous playwright Herman Teirlinck. And thanks to his great talent for sight-reading, he was a much sought-after accompanist and chamber musician in the Brussels music scene.
He composed many Lieder, which stand out mostly for their rich piano parts. At that time, many Flemish composers used to write rather straight-forward, more popular songs. Lambrechts wrote the following about this: ‘His Lieder might be somewhat difficult for Flanders – Van Nieuwenhove is difficult in nearly everything he writes – but nowadays we are able to find pianists in this country who are willing to take on these arrangements. He uses many notes, loves flattering key changes, manages to find rich and provocative harmonies, seems to be intellectual rather than full of storms, full of burning emotions. Few composers understand the role of the keyboard in Lieder as well as he does.’

In 1909, his one-act opera Harte troef (Hearts are trumps), to a libretto by Herman Teirlinck, premiered in the Royal Flemish Opera. The piece was met with favourable reviews, but his later operas (Vrouwenveiling (Women auction), Merlin et Viviane and Aphrodite) were never performed. He also composed a few orchestra pieces, including the symphonic poems Voorjaarsweelde (Spring Wealth) and Venetia, of which the influences lie somewhere in between César Franck and impressionism. With the rise of the radio, he wrote a few pieces meant explicitly for the radio orchestra, and therefore for radio broadcast, like his Concerto in re kleine terts voor fluit met begeleiding van radio-orkest (Concerto in D minor with radio orchestra accompaniment) and Schaperszang voor hobo, met begeleiding van klavier (of radio-orkest) (Shepherd’s song for oboe, with keyboard accompaniment or radio orchestra).

But it is mostly as a chamber music composer that Van Nieuwenhove made a name for himself. A piece such as Deuxième suite pour harpe, flûte, violon, alto et cello (Second suite for harp, flute, violin,viola and cello) was on the repertoire of the then famous Hollandsch Instrumentaal Kwintet (Dutch Instrumental Quintet). In addition to the classical genres (violin sonatas, piano trios and string quartets), he also took on less evident combinations. For example, he wrote quartets for viola (Fantasie), flute ensembles (Barcarolle pour 3 grandes flûtes en ut et 1 grande flûte alto en sol; Scherzo pour quatuor de flûtes; Deux pièces pour quatuor de flûtes), saxophones (Petite suite pour quatuor de saxophones) and cellos (Petite suite pour quatre violoncelles; Deuxième suite pour quatre violoncelles).

Even though he received various prizes and awards during the Interbellum, after World War II Van Nieuwenhove faded into oblivion. In 1952, however, his Toccata for carillon was awarded the Kamiel Lefévere award in Mechelen.

It is remarkable that Ernest Van Nieuwenhove published a part of his oeuvre with French titles under the pseudonym Ernest d’Agrèves.

This concerto consists of three movements, Moderato- Andante-Allegro. Despite his choice of the standard form, Van Nieuwenhove chose non-traditional harmony and chromaticism with some twists of exotic pentatonic and eastern European scales, which makes the music cosmopolitan as the symbolic characteristic of Brussels, the city where the composer was settled.

The first movement starts with a heroic melody in D minor, giving the impression of a traditional romantic concerto, immediately introducing the impressionistic harmony dominating the whole piece. The syncopated bass motif is repeated giving a constant forward feeling. After countless modulations, the theme recapitulates, having a cadenza in between, ending in D major.

The second movement has a charming motif with trills recycled from the previous movement and they reappear repeatedly. The impressionistic modal harmony is strongly applied with a combination of chromatic harmony, giving an eastern taste. Inserting ecstatic impressionistic atmosphere in the middle, the music goes back to indecisive modal harmony. The theme was re-introduced and modulated into G major, closing with broken pentatonic chords.

The last movement is a lively gigue with a folkish dance tune. The agitated flute part based on non-traditional scales gives a colorful atmosphere and makes conversations with the orchestra. The bass motif of the first movement comes back in the middle section, reminding the impressionistic taste of the second movement. The theme comes back and after the cadenza it appears surprisingly in D major, ending the piece with a climax of brilliant virtuosic passages.

Duration: 22’

Jan Dewilde
(translation: Jasmien Dewilde)

This score was published in collaboration with the Study Centre for Flemish Music (www.svm.be) and Labo XIX&XX, a research group of the library of the Royal Conservatoire of Antwerp. The edition is based on the autographicmanuscript of the Dubar Collection, which is housed in the library of the Royal Conservatoire of Antwerp.


Ernest Van Nieuwenhove
(Sint-Jans-Molenbeek, 31 maart 1880 – Schaarbeek, 10 januari 1968)

Concerto in re kleine terts voor fluit met begeleiding van radio-orkest (s.a.)

(bewerking voor fluit met begeleiding van klavier)

Ernest Van Nieuwenhove kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en studeerde later notenleer en piano bij Joost De Mol en piano bij José Sevenants, zelf een leerling van Arthur De Greef. Later zou hij ook nog privélessen orkestratie gevolgd hebben bij Paul Gilson. Volgens musicograaf en tekstdichter Lambrecht Lambrechts in het tijdschrift Muziek-warande (1 maart 1924) beschikte hij echter niet over de financiële mogelijkheden om aan een conservatorium verder te studeren. Van Nieuwenhove is dan ook grotendeels autodidact. Toch beschikte hij over veel metier, als componist én als uitvoerder. Nog tijdens zijn humaniorastudies componeerde hij verschillende gelegenheidswerken, niet zelden op tekst van zijn neef Herman Teirlinck, de bekende toneelauteur. En door zijn grote vaardigheid in het op zicht lezen was hij in het Brusselse muziekleven een druk gesolliciteerd begeleider en kamermusicus.

Als componist schreef hij heel wat liederen, waarbij de rijkelijk uitgewerkte pianopartij opvalt. Veel Vlaamse componisten schreven toen eerder eenvoudige, volkse liederen. Lambrechts schreef hierover: ‘Zijn liederen zijn misschien wat moeilijk voor Vlaanderen – Van Nieuwenhove is moeilijk in bijna alles wat hij schrijft – maar heden ten dage vinden wij wel pianisten ten onzent die voor dergelijke begeleidingen niet terugdeinzen. Hij bezigt veel noten, houdt van vleiende toonveranderingen, vindt rijke en gedurfde harmonieën, lijkt wat meer intellectueel dan vol stormen, vol blakend gevoel. Weinige toondichters verstaan de rol van het klavier in het kunstlied zo goed als hij.’”

In 1909 ging zijn zangspel in één bedrijf Harte troef, op een libretto van Herman Teirlinck, in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen in première. Het werk werd gunstig onthaald, maar latere opera’s (Vrouwenveiling, Merlin et Viviane en Aphrodite) bleven onuitgevoerd. Hij componeerde ook enkele orkestwerken, waaronder de symfonische gedichten Voorjaarsweelde en Venetia, die qua invloedssfeer pendelen tussen César Franck en het impressionisme. Met de opkomst van de radio schreef hij enkele werken die expliciet bedoeld waren voor het radio-orkest, en dus voor uitzending op de radio, zoals zijn Concerto in re kleine terts voor fluit met begeleiding van radio-orkest en Schaperszang voor hobo, met begeleiding van klavier (of radio-orkest).

Maar het is vooral als componist van kamermuziek dat Van Nieuwenhove zich liet opmerken. Een werk als Deuxième suite pour harpe, flûte, violon, alto et cello stond op het repertoire van het eertijds befaamde Hollandsch Instrumentaal Kwintet. Naast de klassieke genres (vioolsonates, pianotrio’s en strijkkwartetten), waagde hij zich ook aan minder voor de hand liggende combinaties. Zo schreef hij kwartetten voor altviolen (Fantasie), fluitensembles (Barcarolle pour 3 grandes flûtes en ut et 1 grande flûte alto en sol; Scherzo pour quatuor de flûtes; Deux pièces pour quatuor de flûtes), saxofoons (Petite suite pour quatuor de saxophones) en cello’s (Petite suite pour quatre violoncelles; Deuxième suite pour quatre violoncelles).

Niettegenstaande hij in het interbellum een aantal prijzen en bekroningen behaalde, raakte Van Nieuwenhove na de Tweede Wereldoorlog steeds meer in de vergetelheid. In 1952 werd wel nog zijn Toccata voor beiaard in Mechelen bekroond met de Prijs Kamiel Lefévere.

Merkwaardig is dat Ernest Van Nieuwenhove een deel van zijn oeuvre met Franstalige titels publiceerde onder het pseudoniem Ernest d’Agrèves.

Dit concerto bestaat uit drie delen: Moderato, Andante en Allegro. Van Nieuwenhove koos ervoor om deze klassieke drie-eenheid vorm te geven met niet-traditionele harmonieën, waardoor het werk hoofdzakelijk in een impressionistische sfeer baadt. Kenmerkend hiervoor zijn de modale invloeden, de chromatiek en de exotische elementen, zoals pentatoniek en Oost-Europese toonladders. Dit zorgt ervoor dat het concerto een werelds karakter krijgt, vergelijkbaar met de symbolische betekenis die aan Brussel wordt toegekend, de stad waar de componist verbleef.

Het eerste deel start binnen de verwachtingen van een traditioneel romantisch concerto met een heroïsche melodie in d klein. Hierbij wordt de impressionistische harmonie, die het hele stuk zal domineren, meteen geïntroduceerd. De herhaling van een gesyncopeerde basmotief creëert een voortdurende voorwaartse stuwing. Na talloze modulaties wordt het beginthema herhaald om uiteindelijk te eindigen in D groot. In tussentijd krijgt de solist ook ruimte voor een cadens.

Het tweede deel zet in met een herkenbaar motief met trillers dat veelvuldig wordt herhaald, gebaseerd op thematisch materiaal uit de eerste beweging. De impressionistische, modale harmonie wordt in dit deel aangevuld met chromatische elementen, waardoor het geheel een oosters karakter krijgt. Na een extatisch, impressionistisch middenstuk, keert de muziek terug naar een modale harmonie. Het beginthema wordt opnieuw geïntroduceerd en naar G groot gebracht, waarna de solist afsluit met gebroken pentatonische akkoorden.
Het laatste deel is een levendige gigue, gebaseerd op een volkse, dansante melodie. De levendige fluitpartij lijkt te converseren met het orkest, waarbij het gebruik van niet-traditionele toonladders zorgt voor een kleurrijke atmosfeer. Het basmotief uit de eerste beweging wordt opnieuw geïntroduceerd in het middendeel, in symbiose met de impressionistische atmosfeer van het tweede deel. Na een cadens komt het giguethema terug, verrassend in D groot, waarna het concerto eindigt met een climax van briljante virtuoze passages.

Duurtijd: 22’

Jan Dewilde

Deze partituur werd uitgegeven in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw (www.svm.be) en Labo XIX&XX, een onderzoeksgroep van de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen, op basis van het autografisch handschrift uit de Collectie Dubar, bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

Score No.

2534

Special Edition

The Flemish Music Collection

Genre

Chamber Music

Size

225 x 320 mm

Specifics

Score & Part

Printing

First print

Pages

56

Go to Top