Celis, Frits

Concerto for bassoon and orchestra

19,00 

Frits Celis

Concerto voor fagot (of basklarinet) en klein strijkorkest, op. 38b (1997)

(Antwerpen, 1929)

Frits Celis heeft een zeer gedegen muziekopleiding genoten. Aan de Koninklijke Conservatoria van Antwerpen en Brussel behaalde hij einddiploma’s van notenleer, harmonie, contrapunt, fuga, muziekgeschiedenis, harp en orkestdirectie. Daarna volgde hij nog vervolmakingscursussen orkestdirectie aan het Mozarteum in Salzburg en aan de Staatliche Hochschule für Musik in Keulen. In 1946 begon hij zijn loopbaan als harpist bij de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen, een goede voorbereiding voor zijn carrière als dirigent. Nadat hij laureaat was geworden van dirigentenconcoursen van de Muntschouwburg in Brussel en van de NIR (de nationale omroep), werd hij in 1954 dirigent bij de Munt, een functie die hij tot 1959 zou bekleden. Daarna werd hij eerste dirigent en later muziekdirecteur van de Koninklijke Vlaamse Opera, waar hij een breed repertoire dirigeerde en verschillende wereldcreaties van Vlaamse opera’s leidde. Daarnaast trad hij als gastdirigent op in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Tsjechië, Slowakije, Spanje en de Verenigde Staten. In 1960 werd Celis docent notenleer aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen, waar hij later ook docent transpositie werd.

Parallel met zijn veeleisende dirigeercarrière bouwde Celis vanaf 1949 aan een mooi oeuvre, bestaande uit liederen, koorwerken, kamermuziek en orkestwerken. Op een korte periode in de eerste helft van de jaren 1970 na, waarbij hij aanleunde bij het serialisme, baadt zijn werk in een vrije atonaliteit. Hij schuwt cerebraliteit en hecht een groot belang aan lyriek, expressiviteit en een heldere structuur. Vanuit zijn doorleefd vakmanschap en integriteit wil Celis te allen tijde communiceren met zijn publiek: hij wil gehoord worden.
Nadat in 1988 de Antwerpse Opera werd geherstructureerd, beëindigde Celis zijn dirigentenloopbaan en wijdde hij zich intenser aan het componeren. Vanaf die periode groeide zijn oeuvre dan ook aanzienlijk aan.

Bijzonder was ook Celis’ engagement, als dirigent, componist én musicograaf, voor het werk van Vlaamse componisten uit het heden en verleden. Naast de vele creaties en herontdekkingen die hij dirigeerde, stelde hij suites samen uit vergeten opera’s van August De Boeck, en publiceerde hij over Vlaamse muziek en componisten, in het bijzonder over Edward Keurvels en August De Boeck.
Over zijn hier voor het eerst gepubliceerde werk schreef Frits Celis: ‘In 1991 vroeg fagottist Francis Pollet me om een werk te schrijven voor zijn instrument en strijktrio. Het werd mijn driedelig Concertino, op. 38. Het stuk werd door de opdrachtgever gecreëerd en later door hem op cd opgenomen. Enkele jaren nadien vatte ik het plan op om die in feite onvoldragen compositie te herwerken tot een volwaardig concerto, uitgaande van het standpunt dat dergelijke literatuur eerder beperkt is.

Het huidig Concerto, op. 38b is inzake structuur opgevat volgens het zogenaamde cyclische principe: eenzelfde hoofdthema uit de eerste beweging wordt ook in de overige delen opnieuw aangewend, zij het dan in een telkens gevarieerde gedaante. Dat basisthema heb ik letterlijk ontleend aan de aanhef – eveneens voor fagot solo – van mijn compositie voor sopraan en orkest Preludio e Narrazione, op. 18 (1983), ditmaal echter in een totaal gewijzigde sfeer.

Het eerste deel van het concerto is hoofdzakelijk gekenmerkt door een onstuimig karakter, echter afwisselend met uitgesproken lyrische passages. Naar het einde toe wordt de cadenza voor het solo-instrument meerdere keren onderbroken door expressief geladen interventies van de strijkersgroep. Een afsluitende zin voor de solist vormt meteen de overgang naar het volgende deel dat, in tegenstelling tot het ritmisch vaak sterk afgetekende karakter van het voorafgaande, meestal doordrenkt is van dromerig voortschrijdende cantilenes door de strijkers. Daarvan afwijkend inzake maatindeling en ritme brengt het blaasinstrument als een soort contrapunt flarden van het basisthema. De rollen worden even omgekeerd wanneer de solist de strijkerslyriek op zijn beurt verder laat zingen, omstuwd door speels ritmische figuren. Geleidelijk aan wordt een groeiende algemene spanningslijn opgebouwd die echter bruusk afgebroken wordt om uit te deinen in een tweede cadenza, ditmaal echter opgevat als een dialoog tussen het houtblaasinstrument en de altvioolsolo. Uiteindelijk verenigen beide instrumenten zich om in een alsmaar nerveuzer tempo als het ware samen te tuimelen in het laatste deel van het concerto, waarvan de rusteloze aanvangsfase eenzelfde gespannen sfeer bevat, gebouwd op motiefjes ontleend aan het basisthema. Het ontspannen karakter van een middenpassage, in een rustig wiegend tempo, verleent een dromerig voortschrijdend alternatief aan deze finale. De slotfase ervan verloopt dan weer in een daarvan sterk afwijkende en steeds heftiger bewogen klankentaal, voortstuwend naar een ultieme climax.’

Bezetting strijkorkest: 8-6-6-4-2.
Opname: Works for bassoon, dedicated to Francis Pollet & I Solisti del Vento (I Solisti del Vento & friends –IsdV9601).

Jan Dewilde & Frits Celis

Deze partituur werd geëditeerd door Marc Van Wolvelaer, in samenwerking met de componist. Deze uitgave kwam tot stand dankzij het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw (www.svm.be).


 

Frits Celis
(Antwerpen, 1929)

Konzert für Fagott (oder Bassklarinette) und kleines Streichorchester op. 38b (1997)

Frits Celis genoss eine sehr gründliche Ausbildung. An den Königlichen Konservatorien von Antwerpen und Brüssel erwarb er Abschlussdiplome für Solfeggio, Harmonielehre, Kontrapunkt, Fuge, Musikgeschichte, Harfe und Orchesterleitung. Danach bildete er sich weiter am Mozarteum in Salzburg und an der Staatlichen Hochschule für Musik in Köln. Im Jahre 1946 wurde er Harfenist an der Königlich Flämischen Oper in Antwerpen, was sich als eine gute Vorbereitung auf seine Laufbahn als Dirigent erweisen sollte. Nachdem er Preisträger von Dirigentenwettbewerben am Théâtre de la Monnaie in Brüssel und beim NIR (der nationalen Rundfunkanstalt) geworden war, wurde er von 1954 bis 1959 Dirigent am Theater La Monnaie. Anschließend folgte die Berufung als Erster Kapellmeister und später die Ernennung zum Musikdirektor der Königlich Flämischen Oper, wo er ein sehr umfangreiches Repertoire dirigierte und verschiedene Uraufführungen flämischer Opern leitete. Darüberhinaus wirkte er als Gastdirigent in Holland, Frankreich, Deutschland, Tschechien, der Slowakei, Spanien und den Vereinigten Staaten. Im Jahre 1960 wurde Celis auch Dozent für Solfeggio und später für Transposition am Königlich Flämischen Konservatorium in Antwerpen.

Gleichzeitig mit seiner intensiven Dirigentenlaufbahn betätigte Celis sich seit 1949 auch als Komponist. Er schuf ein ansehnliches Gesamtwerk, das Lieder, Chorwerke, Kammermusik und Orchesterwerke umfasst. Außer einer kurzen Periode in der ersten Hälfte der siebziger Jahre, in der er sich mit Reihentechniken beschäftigte, bevorzugt er in seinem Schaffen die freie Atonalität. Er scheut den künstlerischen Intellektualismus und findet Lyrik, Ausdruck und eine klare Struktur besonders wichtig. Als ausgereifter, integrer Fachmann sucht Celis Kontakt mit seinem Publikum. Er will gehört werden.
Nach der Reorganisation der Antwerpener Oper schloss Celis seine Dirigentenlaufbahn ab. Dadurch konnte er sich noch intensiver dem Komponieren widmen, so dass sein Œuvre inzwischen ansehnlich angewachsen ist.

Bemerkenswert ist Celis’ Einsatz als Dirigent, Komponist und Musikschriftsteller für das Schaffen flämischer Komponisten der Gegenwart und Vergangenheit. Außer den zahlreichen Uraufführungen und Wiederentdeckungen, die er dirigierte, stellte er aus vergessenen Opern von August De Boeck Suiten zusammen und veröffentlichte Beiträge über flämische Musik und Komponisten, insbesondere Edward Keurvels und August De Boeck.

Über das Werk, das hier zum ersten Mal herausgegeben wird, schrieb Frits Celis: „Im Jahre 1991 bat mich der Fagottist Francis Pollet ein Werk für sein Instrument und Streichtrio zu schreiben. Es wurde mein dreisätziges Concertino op. 83. Der Auftraggeber spielte selbst die Uraufführung und brachte das Werk später auch auf CD heraus. Einige Jahre danach bekam ich die Idee, diese im Grunde unausgereifte Komposition umzuarbeiten und ein echtes Konzert daraus zu machen. Dabei ließ ich mich von der Überzeugung leiten, dass derartige Literatur eher selten ist.

Die Struktur des heutigen Konzert op. 38b folgt dem zyklischen Prinzip, demzufolge das Hauptthema des ersten Satzes auch in den folgenden Sätzen auftritt, wenn auch in einer jeweils anderen Erscheinungsform. Dieses Basisthema habe ich notengetreu dem Beginn – ebenfalls für Fagott solo – meiner Komposition für Sopran und Orchester Preludio e narrazione op. 18 (1983) entnommen, hier jedoch in einer vollkommen anderen Atmosphäre.

Der erste Satz des Konzerts zeichnet sich hauptsächlich durch seinen stürmischen Charakter aus, mit eingestreuten lyrischen Passagen. Gegen Ende wird die Kadenz des solistischen Instruments mehrmals von expressiv geladenen Interventionen der Streicher unterbrochen. Eine abschließende Phrase des Solisten bildet gleichzeitig den Übergang zum folgenden Satz, der im Gegensatz zu dem oft stark rhythmisch betonten Charakter des Vorhergehenden, großenteils in träumerisch fortschreitenden Kantilenen der Streicher eingebettet ist. In abweichender Takteinteilung und Rhythmik lässt das Blasinstrument in einer Art Kontrapunt Fragmente des Hauptthemas hören. Dann werden die Rollen in dem Augenblick vertauscht, als der Solist die Lyrik der Streicher, von spielerischen rhythmischen Figuren umgeben, weiterspinnt. Nach und nach entsteht eine wachsende allgemeine Spannungslinie, die jedoch brüsk unterbrochen wird, um dann zu einer zweiten Kadenz hinzuführen, die diesmal aus einem Dialog zwischen dem Holzbläser und einer solistischen Viola besteht. Schließlich vereinigen sich die beiden Instrumente, die in einem stets erregteren Tempo gleichsam hineintaumeln in den letzten Satz des Konzerts. Dessen ruhelose Anfangsphase, mit kleinen Motiven aus dem Hauptthema, erzeugt eine gleichartige, gespannte Atmosphäre. Der gelöste Charakter des Mittelteils, in ruhig wiegender Bewegung, bereichert dieses Finale durch einen träumerisch fließenden Gegensatz. Der Schluss verläuft dann wieder in einer stark kontrastierenden und stets heftiger bewegten Tonsprache, die zu einem letzten Höhepunkt hin drängt.“

Besetzung Streichorchester: 8-6-6-4-2.
Aufnahme: Works for bassoon, dedicated to Francis Pollet & I Solisti del Vento (I Solisti del Vento & friends –IsdV9601).

Jan Dewilde & Frits Celis / Übersetzung Michael Scheck

Diese Partitur wurde ediert von Marc Van Wolvelaer, in Zusammenarbeit mit dem Komponist, und wurde publiziert in Zusammenarbeit mit dem Studienzentrum für flämische Musik (www.svm.be).


 

Frits Celis
(Antwerp, 1929)

Concerto for bassoon (or bass clarinet) and small string orchestra, op. 38b (1997)

Frits Celis received a very thorough music education. At the Royal Conservatories of Antwerp and Brussels he obtained degrees in music theory, harmony, counterpoint, fugue, music history, harp and orchestral conducting. Afterwards, he also took courses at the Mozarteum in Salzburg and at the Staatliche Hochschule für Musik in Cologne to perfect his conducting skills. In 1946, he began his career as a harp player at the Royal Flemish Opera in Antwerp, which prepared him for his career in conducting. After being made a laureate of the conducting contests at the Théâtre Royal de la Monnaie in Brussels and the NIR (the national broadcasting corporation), he became a conductor at La Monnaie in 1954 and stayed there until 1959. He then became the conductor and later the music director of the Royal Flemish Opera, where he conducted a broad international repertoire and different world creations of Flemish operas.
In addition to all this, he also performed as a guest conductor in the Netherlands, France, Germany, the Czech Republic, Slovakia, Spain and the United States. In 1960, Celis became a teacher of music theory at the Royal Flemish Conservatory of Antwerp, where he would later also teach transposition.

Parallel to his demanding career as a conductor, from 1949 onwards Celis worked on creating a precious oeuvre. This consists of songs, pieces for choir, chamber music and orchestral compositions. Except for a brief period in the first half of the seventies, when he leaned towards serialism, his work bathes in atonality. He avoids cerebralism and pays great attention to lyricism, expressiveness and a clear structure. Through his craftsmanship and integrity Celis wants to constantly communicate with his audience: he wants to be heard.
After the reorganization of the Antwerp Opera in 1988, Celis ended his career as conductor, choosing to dedicate more time to composing and thus significantly expanding his oeuvre.

As a conductor, composer and musicographer, Celis was particularly committed to pieces by Flemish composers, both contemporary and from the past. In addition to the many creations and rediscoveries he conducted, he put together suites from forgotten operas by August De Boeck, and he published about Flemish music and composers, especially about Edward Keurvels and August De Boeck.

Frits Celis wrote the following about this first published piece: ‘In 1991, bassoon player Francis Pollet asked me to compose a piece for his instrument and string trio. This became my Concertino op. 38. The piece was then performed by Pollet and recorded on CD. A couple years later I came up with the plan to rearrange this essentially incomplete composition into a full-blown concerto, based on the idea that this type of literature is rather rare.

The current Concertino op. 38b is created structurally according to the so-called cyclic principal: one principal theme from the first movement is re-used in the other parts, but each time in a different form. This base theme is literally borrowed from the opening of my composition for soprano and orchestra Preludio e narrazione op. 18 (1983). This time however, the atmosphere has changed completely.

The first part of the concerto is mainly characterised by a stormy temperament, alternated with distinctly lyrical passages. Towards the end, the cadenza for the solo instrument is interrupted multiple times by expressively charged interventions by the string group. A concluding sentence for the soloist immediately forms the bridge to the next passage, which, contrary to the strongly rhythmical character of the previous part, is usually drenched in dreamily cantilenas by the strings. With different bars and another rhythm, the wind instrument provides bits of the base theme, almost as a counterpoint. The roles are then momentarily reversed when the soloist continues to let the string lyricism sing, accompanied by playfully rhythmical figures. Gradually, the general tension builds, only to be cut off abruptly and transformed into a second cadenza, this time as a dialogue between the woodwind instrument and the viola solo. Eventually both instruments unite into the last part of the concerto, with an increasingly more nervous tempo. The restless beginning contains the same tense atmosphere, built upon motifs of the base theme.
The laid-back aspect of the middle part, with a gently swaying tempo, provides a dreamily alternative to this finale. The ending however is very different and sounds increasingly stronger, culminating in an ultimate climax.’

Size string orchestra: 8-6-6-4-2.
Recording: Works for bassoon, dedicated to Francis Pollet & I Solisti del Vento (I Solisti del Vento & friends –IsdV9601).

Jan Dewilde & Frits Celis

This score is edited by Marc Van Wolvelaer, in cooperation with the composer, and is published with the support of the Centre for the Study of Flemish Music (www.svm.be).

Score No.

2522

Special Edition

The Flemish Music Collection

Genre

Solo Instrument(s) & Orchestra

Pages

56

Size

210 x 297 mm

Performance Materials

available

Printing

New print / First print