Jules Busschop

(Parijs, 10 september 1810 – Brugge, 10 februari 1896)

 

2me Messe solennelle en chÏur ˆ lÕunisson

(dÕaprs le plain-chant)

avec accompagnement dÕorgue obligŽ, dÕinstruments ˆ cordes et de timbales

 

 

Jules Busschop was een van de vier zonen van Franois Busschop (1763-1840) en Isabelle CŽcile Breydel (1774-1851). Vader Busschop was advocaat en rechter, en maakte ook binnen de Brugse administratie carrire als Ôofficier municipalÕ en Ôgreffier de la trŽsorerieÕ. In 1798 werd hij naar Parijs geroepen, waar hij rechter en raadsheer werd. Het is daar dat Jules Busschop geboren werd en waar hij ook zijn eerste muzieklessen kreeg van P.A. Granghon. In een correctie op het artikel dat Franois-Joseph FŽtis in zijn Biographie universelle des musiciens aan hem wijdde, noemde Busschop Granghon een Ôexcellent et modeste professeurÕ die hem inwijdde in de TraitŽ dÕharmonie van Charles-Simon Catel. Zelf componeerde Granghon vooral romances en pianomuziek, waaronder Variations brillantes pour le piano forte sur un thme favori de J. Busschop, op. 17, uitgegeven bij Launer in Parijs. Granghon zou vroege composities van Busschop hebben voorgelegd aan Rodolphe Kreutzer en Franois-Antoine Habeneck die de jonge componist advies zouden hebben gegeven. Busschop bedankte met een aan Habeneck opgedragen Grande ouverture dramatique. Later bestudeerde Busschop, die toch grotendeels autodidact bleef, ook de theoretische werken van Antoine Reicha en de klassieke muziekliteratuur. In 1828 verhuisde het gezin opnieuw naar Brugge, waar ze aan de Sint-Annarei gingen wonen. Dankzij het familiefortuin zou Busschop zich zijn hele leven aan de muziek kunnen wijden.

 

Een van Busschops eerste opgemerkte werken was de cantate Le drapeau belge die in 1834 in een compositiewedstrijd van de Belgische overheid werd bekroond. De cantate werd uitgevoerd tijdens de Septemberfeesten, ter herdenking van de slachtoffers van de Belgische Revolutie. Twee jaar later, op 21 april 1836, werd zijn Symphonie en fa uitgevoerd in Parijs. FŽtis zou diezelfde symfonie op 15 maart 1846 dirigeren in het Conservatorium van Brussel. Volgens een kritiek in La Belgique musicale (19 maart 1846) zou Busschops symfonie Beethoveniaans ge•nspireerd zijn.
Ook Busschops liturgische muziek vond de weg naar het buitenland. Zijn
Six chants rŽligieux, gepubliceerd door Schott, werden lovend besproken in het Duitse tijdschrift Caecilia: ÔVon einem bis jetzt noch gŠnzlich unbekannt gewesene Manne erhalten wir vorliegend eine Sammlung religišser GesŠnge, welch wir mit grossem VergnŸgen zu dem Guten und Besten zŠhlen dŸrfen, was wir in dieser Gattung besitzenÔ (Caecilia, vol. 19, 1837, p. 126).

 

Busschop componeerde veel gelegenheidswerken. Zo schreef hij in 1846 op een Franse tekst van Bruggeling Amand Inghels een gelegenheidscantate voor de inauguratie van het standbeeld van wis- en natuurkundige Simon Stevin. Na de creatie op 26 juli 1846 werd de cantate twee maanden later, op 24 september 1846, in Brussel hernomen tijdens de tweede bijeenkomst van het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond, met een aangepaste Nederlandse tekst en onder de titel Aen het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond. Met weer nieuwe tekstuele aanpassingen diende de cantate in 1871 opnieuw in Brugge, deze keer voor de inhuldiging van het standbeeld van de renaissanceschilder Hans Memling. Een groot koor en orkest voerden de cantate toen uit onder de leiding van graaf Moles le Bailly de Serret, dirigent van de Brugse muziekvereniging La RŽunion musicale. Dat voor deze offici‘le manifestatie voor een gerecycleerde Franstalige cantate werd gekozen en niet voor MemlincÕs cantate van Hendrik Waelput, op een Nederlandse tekst van Eugene Van Oye, zette bij de Vlamingen veel kwaad bloed.

 

Ondertussen had Busschop zijn plaats in het offici‘le Belgische muziekleven verworven. Zo was hij in 1849, 1851 en 1853 lid van de jury van de Belgische Prix de Rome en bovendien leverde hij werken voor offici‘le plechtigheden. Voor het huwelijk op 22 augustus 1853 van kroonprins Leopold (de latere Leopold II) en Marie Henriette van Oostenrijk componeerde hij zijn tweede orkestmis, maar Busschops mis zou uiteindelijk niet tijdens de trouwplechtigheid worden uitgevoerd. Uit een brief die Busschop liet publiceren in La Belgique musicale van 25 augustus 1853 blijkt dat de aartsbisschop beslist had om geen Ômesse solennelleÕ te laten uitvoeren, maar een Ômesse basseÕ en een Te Deum. Deze mis werd wŽl in 1884 in de Leuvense Sint-Pieterskerk uitgevoerd ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de heroprichting van de universiteit door de Belgische bisschoppen. Busschop voorzag in deze mis verschillende uitvoeringsmogelijkheden, op maat van de kerkkoren. In zijn inleiding schrijft hij dat de mis kan worden uitgevoerd door sopranen, tenoren en bassen, of alleen door vrouwenstemmen, of door enkel mannenstemmen. De strijkers en de pauken kunnen worden weggelaten en in kleinere kerken mag het orgel worden vervangen door een harmonium. Achteraan de partituur voorziet hij bovendien een extra begeleiding met koperinstrumenten (trompet, twee trombones en een ophicle•de of bombardon). De ordinariumdelen laat Busschop unisono zingen, maar hij zorgt voor voldoende variatie door het afwisselen van vrouwen- en mannenstemmen. En in het graduale schrijft hij een duet en het offertorium is bedoeld voor solist en koor. De zanglijnen wortelen in het gregoriaans en kadert zo in de restauratiebeweging die inging tegen al te theatrale kerkmuziek. Xavier van Elewijck (1825-1888), musicoloog en kapelmeester van de Leuvense Sint-Pieterskerk, omschreef deze mis als Ôune des plus remarquables qui aient paru, dans notre pays, pendant les cinquante premires annŽes de notre indŽpendance.Õ

In 1860 componeerde Busschop nog een Te Deum voor de jaarlijkse herdenking in de Brusselse Kathedraal van de kroning van Leopold I. Tussendoor werkte hij lange tijd aan het lyrisch drama Le toison dÕor, waarvoor hij zelf het libretto schreef. Al in 1865 liet hij de ouverture ervan uitvoeren, maar het zou tot 1873 duren eer de opera ook daadwerkelijk in Brugge zou worden opgevoerd. Het zou bij twee, dan nog onvolledige, opvoeringen blijven.

 

Daarnaast componeerde hij nog religieuze muziek, orgelwerken, koorwerken, liederen, ouvertures (zowel voor symfonisch orkest als voor harmonieorkest) en kleinere kamermuziekwerken. Veel werk bleef onuitgegeven. Sommige werken, zoals deze mis, publiceerde hij in eigen beheer; verschillende liturgische werken werden uitgegeven door Schott of door Breitkof & HŠrtel. De meeste handschriften worden bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium in Gent.

 

Busschop kon het zich permitteren om zijn leven lang geen offici‘le functies te bekleden. Hij zou alleen een tijdje privŽlessen hebben gegeven aan Johan De Stoop (1824-1898), zoon van de zangmeester van de Brugse Sint-Gilliskerk, en later componist en muziekleraar. Niettegenstaande hij bedankte voor offici‘le functies en in Brugge bleef resideren, weg van de belangrijke muziekcentra, was hij zich toch bewust van zijn kunnen en kroop hij nu en dan in zijn pen om te reageren wanneer hij zich niet voldoende gewaardeerd voelde. Dat blijkt ook uit de rectificatie die hij nog op zijn 84ste op FŽtisÕ Biographie universelle liet drukken (MŽmoire de Jules Busschop).

 

Busschop bleef tot op hoge leeftijd actief en groeide uit tot Ôle doyen des musiciens et compositeurs belgesÕ en Ôle vŽtŽran de lÕart nationalÕ. Bij zijn 83ste verjaardag in 1893 kreeg hij in zijn woonplaats het bezoek van een ruime delegatie componisten, onder leiding van Franois-Auguste Gevaert, de directeur van het Brussels Conservatorium. In zijn gezelschap waren, onder anderen, LŽon Jouret en Eduard Lassen. Ook het jaar nadien werd hij gevierd en op 27 december 1894 voerde de Brugse SociŽtŽ Adrien Willaert Busschops Cantique dÕun croyant uit (Le Guide musicale, 30 december 1894).

Jules Busschop had ook literaire aspiraties. Hij schreef niet alleen zelf het libretto voor zijn opera, hij publiceerde ook een merkwaardig boek over zijn broer Paul; een dichtbundel MiscellanŽes poŽtiques (1885) en een bundel met raadsels en woordspelletjes (Le sphinx des dunes, 1894).

 

Jan Dewilde

 

Facsimile van een kopie uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen. Deze partituur werd gepubliceerd in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek (www.svm.be).

 

 

Jules Busschop

(Paris,10. September 1810 – BrŸgge,10. Februar 1896)

 

2. Festmesse

fŸr einstimmigen Chor (nach dem Gregorianischen)

mit Begleitung einer obligaten Orgel sowie Streichinstrumenten und Pauken

 

 

Jules Busschop war einer der vier Sšhne von Franois Busschop (1763-1840) und Isabelle CŽcile Breydel (1774-1851). Vater Busschop war Advokat und Richter. In der Stadtverwaltung von BrŸgge machte er Karriere als âOfficier municipalÕ und âGreffier de la trŽsorerieÕ. Im Jahre 1798 erhielt er einen Ruf nach Paris, wo er Richter und Ratsherr wurde. Dort wurde auch Jules Busschop geboren, der seinen ersten Musikunterricht von P.A. Granghon erhielt. Bei der Verbesserung eines Artikels, den Franois-Joseph FŽtis diesem in seiner Biographie universelle des musiciens gewidmet hatte, bezeichnete Busschop ihn als einen âausgezeichneten, bescheidenen LehrerÕ, der ihn in den TraitŽ dÕharmonie von Charles-Simon Catel einfŸhrte. Granghon selbst komponierte vor allem Romanzen und Klaviermusik, darunter Variations brillantes pour le piano forte sur un thme favori de J. Busschop op. 17, herausgegeben bei Launer in Paris. Granghon soll Rodolphe Kreutzer und Franois-Antoine Habeneck frŸhe Kompositionen von Busschop gezeigt haben, die dem jungen Mann auch guten Rat gegeben hatten. Busschop bedankte sich dafŸr mit einer Habeneck gewidmeten Grande ouverture dramatique. SpŠter vertiefte Busschop, der jedoch gro§enteils Autodidakt blieb, sich auch noch in die theoretischen Werke von Anton Reicha und die klassische Musikliteratur. Im Jahre 1828 zog die ganze Familie wieder nach BrŸgge, wo sie an der Sint-Annarei wohnten. Das Familienvermšgen ermšglichte es Busschop, sein gesamtesLeben der Musik zu weihen.

 

Eines der ersten Werke Busschops, das Interesse fand, war die Kantate Le drapeau belge [Die belgische Flagge], die 1834 bei einem Kompositionswettbewerb der belgischen Regierung einen Preis erhielt. Diese Kantate wurde anlŠsslich der Septemberfeste zur Erinnerung an die Opfer der Belgischen Revolution aufgefŸhrt. Zwei Jahre danach, am 21. April 1836, wurde seine Sinfonie in F in Paris gespielt. Dieselbe Sinfonie dirigierte auch FŽtis am 15. MŠrz 1846 im BrŸsseler Konservatorium. Laut einer Besprechung in La Belgique musicale (19. MŠrz 1846) war Busschop beim Schreiben der Sinfonie von Beethoven inspiriert.

Auch Busschops liturgische Musik fand ihren Weg ins Ausland. Seine Six chants rŽligieux [Sechs geistliche GesŠnge], herausgegeben bei Schott, wurden in der deutschen Zeitschrift Caecilia lobend besprochen: âVon einem bis jetzt noch gŠnzlich unbekannten Manne erhalten wir vorliegend eine Sammlung religišser GesŠnge, welche wir mit gro§em VergnŸgen zu dem Guten und Besten zŠhlen dŸrfen, was wir in dieser Gattung besitzen. (Caecilia, Vol. 19, 1837, p. 126).

 

Busschop komponierte zahlreiche Gelegenheitswerke. So schrieb er 1846 auf einen franzšsischen Text des in BrŸgge lebenden Amand Inghels eine Kantate zur Einweihung des Denkmals fŸr den Mathematiker und Naturwissenschaftler Simon Stevin. Nach der UrauffŸhrung am 26. Juli 1846 wurde die Kantate zwei Monate spŠter, am 24. September 1864, anlŠsslich der zweiten Zusammenkunft des Vlaems-Duitsch Zangverbond, in BrŸssel wiederholt, nun mit einem angepassten niederlŠndischen Text und unter dem Titel Aen het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond. Mit nochmaligen Textanpassungen war die Kantate 1871 nochmals in BrŸgge zu hšren, diesmal zur Einweihung des Denkmals fŸr den Renaissancemaler Hans Memling. Ein gro§er Chor und dito Orchester brachten das Werk unter der Leitung von Graf Moles le Bailly de Serret, Dirigent der BrŸgger Musikvereinigung La rŽunion musicale, zu Gehšr. Dass man fŸr dieses Ereignis eine wiederbelebte franzšsischsprachige Kantate wŠhlte statt MemlincÕs cantate von Hendrik Waelput, auf einen niederlŠndischen Text von Eugne Van Oye, erboste viele Flamen sehr.

 

Inzwischen hatte Busschop einen unbestrittenen Platz im belgischen Musikleben erworben. In den Jahren 1849, 1851 und 1953 war er Mitglied der Jury fŸr den belgischen Rompreis, au§erdem lieferte er Werke fŸr offizielle Feierlichkeiten. FŸr die Hochzeit des Kronprinzen Leopold (dem spŠteren Kšnig Leopold II.) mit Marie Henriette von …sterreich am 22. August 1853 komponierte er seine zweite Orchestermesse, jedoch wurde Busschops Werk bei der Trauung dann doch nicht aufgefŸhrt. Aus einem Brief, den Busschop in La Belgique musicale vom 25. August 1853 veršffentlichen lie§, geht hervor, dass der Erzbischof beschlossen hatte, keine âMesse solennelleÕ auffŸhren zu lassen, sondern eine âMesse basseÕ und ein Te Deum. Diese Messe wurde 1884 aber doch noch in der Lšwener St. Peterskirche zum fŸnfzigjŠhrigen JubilŠum der Wiedereršffnung der UniversitŠt durch die belgischen Bischšfe aufgefŸhrt.

 

Busschop entwarf fŸr diese Messe verschiedene AuffŸhrungsmšglichkeiten, je nach der Grš§e der Kirchenchšre. In der Einleitung schreibt er, die Messe kšnne mit Sopranen, Tenšren und BŠssen oder allein mit Frauen- oder MŠnnerstimmen aufgefŸhrt werden. Die Streicher und Pauken kšnnen wegfallen, und in kleineren Kirchen kann die Orgel durch ein Harmonium ersetzt werden. Hinten in der Partitur notiert er noch eine zusŠtzliche Begleitung mit BlechblŠsern (Trompete, zwei Posaunen und eine Ophikle•de oder Basstuba). Die Teile des Ordinariums lŠsst Busschop unisono singen, aber er sorgt fŸr genŸgend Abwechslung durch das Alternieren von MŠnner- und Frauenstimmen. Das Graduale ist ein Duett, und das Offertorium ist fŸr Solo und Chor bestimmt. Die Gesangslinien wurzeln im Gregorianischen, wodurch das Ganze zu der Restaurationsbewegung passt, die sich der allzu theatralischen Kirchenmusik widersetzte. Xavier van Elewijck (1825-1888), Musikologe und Kapellmeister der Lšwener St. Peterskirche, beschrieb diese Messe als âeine der bemerkenswertesten, die wŠhrend der fŸnfzig ersten Jahre der UnabhŠngigkeit in unserem Land entstanden sind.Õ

 

Im Jahre 1860 komponierte Busschop noch ein Tedeum zur Feier des Jahrestags der Kršnung von Leopold I. in der BrŸsseler Kathedrale. Jahrelang arbeitete er zwischendurch immer wieder an dem lyrischen Drama La toison dÕor [Das Goldene Vlies], zu dem er selbst das Libretto verfasst hatte. Schon 1865 lie§ er die OuvertŸre auffŸhren, aber erst 1873 wurde die vollendete Oper in BrŸgge herausgebracht. Es blieb jedoch bei zwei, Ÿbrigens unvollstŠndigen AuffŸhrungen. 

Au§erdem komponierte er noch geistliche Musik, Orgelwerke, Chorwerke, Lieder, OuvertŸren (sowohl fŸr Sinfonie- als auch fŸr Blasorchester) und kleinere Kammermusikwerke. Vieles blieb ungedruckt. Manche Werke, wie etwa diese Messe, gab er selbst heraus; verschiedene liturgische Werke erschienen bei Schott oder Breitkopf & HŠrtel. Die meisten seiner Handschriften werden in der Bibliothek des Kšniglichen Konservatoriums von Gent aufbewahrt.

 

Busschop konnte es sich erlauben, sein ganzes Leben lang keine feste Stellung anzunehmen. Auch soll er nur kurze Zeit Johan De Stoop (1824-1898) Privatunterricht gegeben haben, dem Sohn des Kantors an der BrŸgger St. Gilliskirche, einem zukŸnftigen Komponisten und Musiklehrer. Obwohl er keine offiziellen Positionen annahm und stets, weit entfernt von den wichtigen Musikzentren, in BrŸgge wohnen blieb, war er sich doch seines Kšnnens bewusst und griff er auch manchmal zur Feder, wenn er seine Verdienste ungenŸgend gewŸrdigt fand. Dies geht beispielsweise aus der Entgegnung hervor, die er noch in seinem 84. Lebensjahr als Richtigstellung zu FŽtisÕ Biographie universelle drucken lie§ (MŽmoire de Jules Busschop).

 

Bis ins hohe Alter blieb Busschop aktiv und wurde schlie§lich âder Nestor der belgischen Musiker und KomponistenÕ und âder Altmeister der nationalen KunstÕ. An seinem 83. Geburtstag erhielt er zuhause den Besuch einer beachtlichen Anzahl Komponisten, unter der Leitung von Franois-Auguste Gevaert, dem Direktor des BrŸsseler Konservatoriums, begleitet von unter anderem LŽon Jouret und Eduard Lassen. Auch im darauffolgenden Jahr wurde er gefeiert, und am 27. Dezember 1894 fŸhrte die BrŸgger SociŽtŽ Adrien Willaert Busschops Cantique dÕun croyant [Gesang eines GlŠubigen] auf (Le Guide musical, 30. Dezember 1894).

 

Jules Busschop hatte auch literarischen Ehrgeiz. Er schrieb nicht nur das Libretto seiner Oper selbst, sondern veršffentlichte auch ein interessantes Buch Ÿber seinen Bruder Paul, einen Gedichtband unter dem Titel MiscellanŽes poŽtiques (1885) und ein Sammlung mit RŠtseln und Wortspielereien (Le sphinx des dunes, 1894).

 

Jan Dewilde

(†bersetzung: Michael Scheck)

 

Neudruck einer Kopie aus der Bibliothek des Kšniglichen Conservatoriums von Antwerpen. Diese Partitur wurde herausgegeben in Zusammenarbeit mit dem Studienzentrum fŸr FlŠmische Musik (Studiecentrum voor Vlaamse Muziek). FŸr das AuffŸhrungsmaterial wenden Sie sich bitte an das Studienzentrum (www.svm.be).

 

 

Jules Busschop
(Paris, 10 September 1810 – Bruges, 10 February 1896)

 

2nd Solemn Mass

for choir in unison (according to the plainchant)

to the accompaniment of organ, stringed instruments and kettledrums

 

 

Jules Busschop was one of the four sons of Franois Busschop (1763-1840) and Isabelle CŽcile Breydel (1774-1851). Franois was a lawyer and a judge, and also had a career in the Bruges administration as Ôofficier municipalÕ (municipal officer) and Ôgreffier de la trŽsorerieÕ (clerk of the treasury). In 1798 he was sent to Paris, where he became a judge and a counsellor. Jules Busschop was born in the French capital and it was also where he took his first music lessons from P.A. Granghon. In a correction to the article Franois-Joseph FŽtis dedicated to him in his Biographie universelle des musiciens (Universal biography of musicians), Busschop called Granghon an Ôexcellent et modeste professeurÕ (excellent and modest professor) who introduced him to the TraitŽ dÕharmonie by Charles-Simon Catel. Granghon mostly composed romances and piano works, such as the piece Variations brillantes pour le piano forte sur un thme favori de J. Busschop (Brilliant variations for fortepiano on a favourite theme of J. Busschop), op. 17, published by Launer in Paris. Granghon is thought to have shown compositions by Busschop to Rodolphe Kreutzer and Franois-Antoine Habeneck who had supposedly given advice to the young composer. Busschop thanked them by dedicating a Grande ouverture dramatique (Grand dramatic overture) to Habeneck. Busschop, who for the most part remained an autodidact, later also studied the theoretical works by Antoine Reicha and the classical music literature. In 1828, the family moved back to Bruges, where they lived near the St-Annarei. Thanks to the family fortune, Busschop was able to dedicate his whole life to music.

One of BusschopÕs first noted works was the cantata Le drapeau belge (The Belgian flag) which won a prize in 1834 in a composition competition organised by the Belgian government. The cantata was performed during the September Festival, in memory of the victims of the Belgian Revolution. Two years later, on 21 April 1836, his Symphonie en fa was performed in Paris. FŽtis would later direct the same symphony on 15 March 1846 in the Conservatory of Brussels. According to a review in La Belgique musicale (19 March 1846) BusschopÕs symphony is inspired by Beethoven.
BusschopÕs liturgical music found its way abroad. His 
Six chants rŽligieux (Six religious songs), published by Schott, received positive reviews in the German magazine Caecilia: ÔVon einem bis jetzt noch gŠnzlich unbekannt gewesene Manne erhalten wir vorliegend eine Sammlung religišser GesŠnge, welch wir mit grossem VergnŸgen zu dem Guten und Besten zŠhlen dŸrfen, was wir in dieser Gattung besitzenÔ (We have received a collection of religious chants by a man who, until now, was completely unknown and it is with great pleasure that we can say that we consider it the best work available in this genre) (Caecilia, vol. 19, 1837, p. 126).

 

Busschop composed a lot of occasional pieces, such as the cantata he wrote in 1846 for the inauguration of the statue of mathematician and physicist Simon Stevin. The cantata was set to a French text by the Bruges-based writer Amand Inghels. After the performance on 26 July 1846, there was a reprise of the cantata two months later, on 24 September 1846, in Brussels, during the second gathering of the Vlaemsch-Duitsch Zangverbond (Flemish-German Choir Association), with an adapted Dutch text, entitled Aen het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond (To the Flemish-German Choir Association). New text alterations were made for the performance in Bruges in 1871, this time for the inauguration of the statue of Renaissance painter Hans Memling. A big choir and orchestra performed the cantata conducted by duke Moles le Bailly de Serret, the conductor of the Bruges music association La RŽunion musicale. The fact that a recycled French cantata was chosen for this official event instead of MemlincÕs cantate by Hendrik Waelput, with a Dutch text by Eugene Van Oye, created bad blood among the Flemish.

 

In the meantime, Busschop had earned his place in the official Belgian music scene: In 1849, 1851 and 1853 he was a member of the jury of the Belgian Prix de Rome and in addition he composed pieces for official ceremonies. For the wedding of crown prince Leopold (who later became Leopold II) and Marie Henriette of Austria on 22 August 1853, he composed his second Mass for orchestra, but in the end his Mass would not be performed during the wedding ceremony. A letter Busschop had published in La Belgique musicale of 25 August 1853 shows that the archbishop had decided to have a performance of a Ômesse basseÕ and a ÔTe DeumÕ instead of a Ômesse solennelleÕ. However, his Mass was performed in 1884 in the Saint PeterÕs Church in Leuven on the occasion of the fiftieth birthday of the refoundation of the university by the Belgian bishops. Busschop provided different options for the performance of this Mass, tailored to the church choirs. In his introduction he writes that the Mass can be sung by sopranos, tenors, basses, or by female voices only or male voices only. The strings and the kettledrums can be left out and in smaller churches the organ can be replaced by a harmonium. Moreover, at the end of the music score he includes an extra accompaniment with brass instruments (trumpet, two trombones and an ophicleide or bombardon). He has the ordinary parts sung in unison, but he creates enough variation by alternating the male and female voices. And in the Gradual he writes a duet and the offertory is meant for a soloist and a choir. The vocal parts are rooted in Gregorian Chant and fit in with the Restoration Movement that went against church music that was too theatrical. Xavier van Elewijck (1825-1888), musicologist and Kapellmeister of the Saint PeterÕs Church in Leuven described The Mass as Ôune des plus remarquables qui aient paru, dans notre pays, pendant les cinquante premires annŽes de notre indŽpendanceÕ (one of the most remarkable masses that have been created in our country, in those first fifty years of our independence).

 

In 1860 Busschop composed a Te Deum for the annual commemoration in the Brussels Cathedral of the coronation of Leopold I. In the meantime he worked on the lyrical drama Le toison dÕor (The golden fleece) for a long time, for which he wrote the libretto himself. In 1865 he already had the overture performed, but it would take until 1873 before the opera would actually be performed in Bruges. It never got beyond two incomplete performances.

 

In addition, he composed religious music, organ music, choral work, lieder, overtures (for both symphonic orchestra and concert band) and smaller chamber music work. He published some of his compositions, like this Mass, on his own account; several liturgical works were published by Schott or Breitkof & HŠrtel. Most of the manuscripts are preserved by the library of the Royal Conservatoire in Ghent.

 

For all his life Busschop could afford to hold no official positions. For a little while, he supposedly gave some private lessons to Johan De Stoop (1824-1898), son of the singing-master of the Saint GilesÕ Church in Bruges, who would later become a composer and a music teacher. Despite the fact that he turned down official functions and resided in Bruges, far away from all important music centres, he was very aware of his talents and every now and then he would snatch up his pen to react when he felt underappreciated. This is demonstrated by the rectification he had printed to FetisÕ Biographie universelle (Universal biography) when he was already 84 years old (MŽmoire de Jules Busschop)(Memoires of Jules Busschop).

 

Busschop remained active into old age and became Ôle doyen des musiciens et compositeurs belgesÕ (the doyen of Belgian musicians and composers) and Ôle veteran de lÕart nationalÕ (the veteran of national art). On his 83rd birthday in 1893 he received a visit from a delegation of composers, led by Franois Auguste Gevaert, the director of the Brussels Conservatory. LŽon Jouret and Eduard Lassen, among others, were part of the company. The following year there was a celebration in his honour and on 27 December 1894 the Bruges-based SociŽtŽ Adrien Willaerts performed BusschopÕs Cantique dÕun croyant (Hymn of a believer) (Le Guide musicale, 30 December 1894).

 

Jules Busschop had literary ambitions too. Not only did he write the libretto for his opera himself, he also published a remarkable book about his brother Paul; a collection of poems entitled MiscellanŽes poŽtiques (1885) (Poetic collection) and a volume with riddles and word games (Le sphinx des dunes, 1894) (The sphinx of the dunes).

 

Jan Dewilde

(translation: Magali Van Bulck)

 

Reprint of a copy from the library of the Royal Conservatory of Antwerp. This score was published in cooperation with the Centre for the Study of Flemish Music (Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, (www.svm.be). For the parts, please go to Centre for the Study of Flemish Music